Het was donker en bewolkt deze nacht. Een ijskoude en kille nacht wel te verstaan, een nacht waarin
geen ster zich durfde te vertonen en regen tegen de daken aan kletterde. De straten in het havenstadje lagen er verlaten bij op dit uur. De wind loeide luid over het water en joeg de golven met harde klappen tegen de kade en schepen op.

Op straat was inmiddels geen mens meer te zien, ondanks het feit dat de nacht nog relatief jong was. Hij glimlachte vals en wreef vergenoegend in zijn handen, want dit was de perfecte situatie voor een opdracht als deze. Meer dan perfect zelfs!
Snel stak hij de weg over, waarmee hij de het geluid van en het zicht van de haven, achter zich liet. De kraag van zijn leren jack trok hij wat hoger op en zijn pet zette hij wat verder naar voren. Daarna doofde hij voor alle zekerheid zijn zaklantaarn, op het moment dat hij het doel van zijn bestemming in zicht kreeg. Expres had hij de achterkant van het gebouw gekozen, want hij mocht vooral niet opvallen… Deze nacht moest het dan eindelijk gaan gebeuren. Zijn opdrachtgever had hier lang op gewacht, was hem verteld, en toevallig hijzelf ook.

Deze klus mocht hij niet verpesten. Dat mocht en kón gewoon niet. Falen was geen optie. Hij zuchtte diep en doofde zijn sigaret door hem in een plas water te gooien. Dat ondanks het feit dat hij nog niet helemaal was opgerookt. Het was immers niet slim om te roken in het pikkedonker omdat zelfs het licht van een brandende sigaret, je zou kunnen verraden. Toch had hij er eentje gedraaid, om de spanning weg te nemen. Dit soort klussen waren voor hem gewoon dagelijks werk geworden en zouden hem eigenlijk niet meer nerveus mogen maken. Vandaag was alles anders dan anders. Dit was, als alles goed ging, zijn allerlaatste klus.
‘Hier ga ik multimiljonair mee worden.’, bedacht hij zich, terwijl hij voetje voor voetje een oud verlaten pakhuis naderde.
Een pakhuis dat er maar verlaten bij lag in deze koude donkere nacht. Ja, deze klus zou hem naar een warm land brengen. Een land waar hij deze snijdende kou nooit meer zou hoeven trotseren en een rustig leventje kon gaan leiden. Vlug klom hij over het ijzeren hek, voor lief nemend dat hij zijn been schaafde aan een uitsteeksel. Gaf hem maar eens een reden om te gaan liggen janken om een schaafwond, met miljoenen dollars in het vooruitzicht. Het doel van zijn nachtelijke wandeling was
bereikt. Daar stond het, recht voor zijn gezicht. ‘het oude verlaten oude pakhuis!’ Een pakhuis die hem kil, duister en onheil spannend leek aan te staren! Precies hetzelfde pakhuis waar hij als kleine jongen vaak kwam, omdat zijn vader er in het verleden nog had gewerkt, een verleden wat hij inmiddels verdrongen had. Hij trok de zwarte leren handschoenen aan, en trok ook zijn pet wat dieper over zijn oren. Daarna liep hij de eerste deur door en de metalen trap op goed oppassende
dat de gladde zolen van zijn legerlaarzen niet weg zouden glijden. Hij wilde graag nog even wat langer blijven leven dan vandaag, zeker nu hij wist wat voor geluk er voor hem in petto lag. Zijn voetstappen galmden door de open holle ruimte en instinctief bleef hij zo nu en dan stilstaan, om te luisteren of hij wat hoorde. Het was duidelijk dat het al heel lang geleden was allemaal, de stof, spinnenwebben aan het plafon en de schimmel aan de muren verrieden dat er al jaren niemand
meer binnen moest zijn geweest en een herinnering aan zijn vader werd snel door hem zelf naar de achtergrond geschoven. Eerste verdieping, tweede, derde. Uiteindelijk kwam hij aan bij de laatste, het kleinste kamertje helemaal boven in het oude pakhuis, voor hem doemde een dakterras op. Daar was de kamer die hij zocht. Hij liep naar het raamkozijn. Een tik met een hamer was voldoende om het veiligheidsglas in gruzelementen te doen vallen. Hij klapte stil zijn standaard uit en ging op één
knie zitten. Zijn sniper haalde hij in vier delen onder zijn peperdure gekregen jas vandaan. Hij draaide drie aparte stukken op elkaar en schroefde als laatste de demper erop. Stil klapte hij zijn standaard, het vierde voorwerp, uit en ging op één knie zitten. Zette toen snel de sniper in de juiste positie en richtte het vizier op de straat. Hij liep er een eindje bij vandaan, keek er naar en knikte toen tevreden, ‘De val is gereed!’


De man die naar zijn voorvaderen moest worden geholpen, was een heel belangrijk iemand in de stad. Iemand die aanzien had en berucht werd. Op wie mensen neerkeken en eerbiedig voor opzij gingen als hij hen pad kruiste. Iemand die zelf voor niemand op zij ging en voor niemand bang was. ‘Nou dat zou vandaag ophouden, mompelde hij in gedachten, ‘vanaf vandaag zou die ’belangrijk iemand’ namelijk nooit meer een bezoek aan de kapper brengen’ Hij glimlachte al bij de gedachte en het vooruitzicht dat krantenkoppen de volgende morgen waarschijnlijk niet te tellen zouden zijn…
Het ontbijtnieuws zou er misschien al wel eens mee kunnen gaan openen. Hij rilde even, en dat kwam niet door de kou, wist hij, hij dacht terug aan zijn ‘misdadige’ verleden, een verleden wat hem zoveel onrecht had gebracht. En dat allemaal dankzij hem! Nu zou hij dat even gaan rechtzetten. Dit was niet alleen een opdracht van één van zijn bazen. Nee, dit was ook een persoonlijke wraakactie voor alles wat ‘’die man,’’ hem vroeger vanaf hun schooltijd, allemaal had aangedaan. Door hém was
hij aan de lagere wal geraakt en in de gevangenis terecht gekomen. ‘Drie jaar, schoot het door hem heen, ik ben alweer drie jaar op de vlucht.’ Elke dag moet ik om me heen kijken, argwaan hebben voor iedereen die me ook maar even scheef aankijkt. Argwaan hebben voor iedere politieauto die ik tegenkom, of toevallig de straat in draait…’ ‘Focus je op de opdracht jochie,’ dwong hij zichzelf tot kalmte, toen hij weer een hoorde een auto aankomen, ‘concentreer jezelf op je opdracht!’ Even trok
iets aan de overkant van de straat zijn aandacht, een schim die hij niet thuis kon brengen. Het zou wel niets bijzonders zijn, vermoedde hij, iemand die ook naar huis moet of zo of zijn hond aan het uitlaten is. Al zijn zintuigen waren gespannen. Het geluid van de auto werd harder. Hij laadde een kogel. Het moest in één keer goed gaan, want na het lossen van de schoten, moest hij immers via de achterkant van het pand, pleite zien te maken. Even verblindt door de koplampen van een
naderende auto, hielt hij een hand voor zijn ogen en tuurde naar het ontwerp. Maar nee, het was niet dé auto waar op hij aan het wachten was, het reed immers ook gewoon door, zonder ook maar enige aandacht te schenken aan het verlaten pakhuis. Met een rustige draai verdween de auto de hoek om en stierf het geluid langzaam weer weg. Ook de schim aan de overkant was inmiddels weer verdwenen. ‘Nee’, zuchtte hij opgelucht, ‘er is helemaal niets aan de hand!’. Met een schuin oog wierp hij snel een blik op zijn horloge, ‘half drie,’ gaven de wijzerplaten aan, ieder moment kon het nu wel raak zijn. Op elk ogenblik kon zijn vijand uit het verleden tevoorschijn komen. Dat was hem vanmiddag verteld door zijn opdrachtgever. Hier had hij met derden afgesproken. ‘Waarom uitgerekend hier?’ Dat was beter om het te laten wat het was… Hij moest alleen zijn opdracht vervullen zodra de beruchte gangster zijn auto uit zou stappen, de gangster die er altijd voor zorgde
om als éérste op de plek van afspraak aanwezig te zijn. Iets wat hem nu goed uitkwam. ‘Nu ben ik je een keer een stap voor, mannetje,’ grijnsde hij breed in zichzelf, ‘voor jou een fatale stap wel te verstaan!’


Opeens, het was het tien over half drie, klonk er in de verte weer het geluid van een auto, en dit keer, wist hij het zeker, dit keer was ’t hét geluid! ‘Het moet nu gaan gebeuren’ het felle licht kwam steeds dichterbij n hij herkende de auto, ‘zijn auto!’ Hij kwam overeind en ging weer voor de sniper zitten, dat nog altijd op zijn standaard stond, wachtende tot het in actie mocht komen en richtte het op de persoon die uit de auto stapte. Plotseling voelde hij een pijnlijke steek in zijn arm en liet hij
gedwongen door de pijnscheuten die door zijn lichaam schoten, zichzelf vallen. Hij voelde hoe hij door de lucht vloog en nauwelijks een tel later alweer pijnlijk op de grond terecht kwam, op het koude modderige natte dak. Een fel licht brandde opeens in zijn ogen, even kon hij niets meer zien. Voorzichtig kwam hij overeind en keek voor zich uit. Langzaam maar zeker werden de schimmen die zich voor hem bevonden, zichtbaar. En hoe meer de tijd voorbij kroop, des te herkenbaarder werden ze. Woorden als ’Je had je nooit en te nimmer met mijn zaken moeten bemoeien!’ ‘Ik heb je immers toch altijd al gezegd dat ik de baas ben in deze stad?’ boorden zich als pijnlijke dolksteken door zijn brein. De regen kletterde hard op zijn gezicht en het leek wel als of de druppels een voor een weg zakte in zijn ogen, want hij begon weer wazig te zien. ‘’Ik ben verloren, het is voorbij!’ Zomaar wat angstige gedachtes die door onweerstaanbaar zijn brein schoten. Hij voelde zijn spieren steeds slapper worden en zonder dat hij zich er tegen kon verzetten, zakte hij opnieuw als een pudding in elkaar en viel met zijn hoofd in de modder. Daarna werd hij omhoog getrokken en meegesleurd. Wazig zag hij vanuit de diepte iets glinsteren. Het was een auto, geparkeerd aan de voorkant van het verlaten pakhuis. Toen voelde hij een duw in de rug. Alles wat hij op dat moment voelde was…
Leegte niets meer dan lucht en leegte, en de zwaartekracht die hem ongenadig naar beneden trok, Verschillende gedachte schoten door zijn brein. Die schim aan de overkant… De auto! De wel erg royale deal van zijn laatste opdrachtgever. Het was allemaal een… en nog net voordat hij met een klap op de harde, in het maanlicht glanzende straatklinkers, terecht kwam, drong het pijnlijke besef tot hem door, het besef dat juist hij zélf degene zou zijn, die nooit meer een bezoek aan de kapper zou brengen.’

©Michel Opermeer.